Maandagmorgen tien uur. Het valt me direct op dat Bert er wat moedeloos uitziet.

Ik heb een afspraak met Bert om te kijken of wij iets voor hem kunnen betekenen,

een passende baan kunnen vinden.

 

Bert steekt van wal. Vijfentwintig jaar trouwe dienst in een aluminiumfabriek.

Twee overnames overleefd, en toen viel het doek.

Tweeënvijftig is hij nu, en hij heeft al zeker veertig sollicitaties de deur uit gedaan.

Hoofd Milieuzaken was hij, en hij was goed in zijn werk.

Hij lijkt het alleen vergeten.

 

‘Het is lastig, ik heb het idee dat niemand meer op mij zit te wachten.’ ‘Ik ben te oud.’

Door de crisis kunnen bedrijven en afdelingen Personeelszaken inderdaad de krenten uit de pap halen, en het grote aantal sollicitaties snel reduceren door eerst te screenen op leeftijd.

Niet op kennis, niet op kunde. Niet op persoonlijkheid.

 

Bert vertelt dat hij zich omhoog heeft gewerkt binnen het bedrijf dat nu failliet is gegaan.

Er was veel mogelijk, tot de crisis kwam. Een nieuwe eigenaar, een nieuw beleid. Een tweede nieuwe eigenaar, en toen hield het op.

Ik wil weten wat er zo leuk was aan zijn werk, en we maken een reis door zijn vijfentwintig jaar trouwe dienst. Hij is enthousiast als hij spreekt over ‘zijn’ mensen, ‘zijn’ stagiaires, zijn afdeling. Bert blijkt een zeer brede kennis te hebben van techniek, is behendig met de computer, maakte planningen en was contactpersoon voor diverse partijen. Hij zat ook in de ondernemingsraad, diende verbetervoorstellen in.

‘Maar ja’ verzucht hij..

 

Bert heeft mij overtuigd van zijn kunnen, al weet hij dat zelf nog niet.

Ik heb een idee. Ik ben overtuigd.

 

Ik heb een vacature in gedachten, een totaal andere vacature.

Dezelfde raakvlakken, een compleet ander beleid dan hij gewend is, maar ik weet dat het hem

aan het denken zal zetten.

Ik benadruk de kwaliteiten van Bert, en maak hem enthousiast voor iets nieuws, iets waar hij zijn passies in kwijt kan. Een nieuw bedrijf, een nieuw begin.

Eerst twijfelt hij. ‘Ik weet het niet’…

Het kost overtuigingskracht maar Bert buigt.. Hij begint mijn enthousiasme te delen, en ziet zijn kansen opeens helder voor zich. ‘Ik denk wel dat ik dat zou kunnen ja’

‘Bert, jij kunt dit!’

Hij weet het. Het is mogelijk. Ik krijg een stevige hand bij het afscheid, zie een opgewekt gezicht.

 

Dinsdagmorgen tien uur. Ik bel Bert, goed nieuws.

‘Je mag op gesprek!’