Romeinen 10:9 en 10:10 worden vaak aangehaald door hen die geloven dat de zaligheid door genade alleen bereikt kan worden en op geen enkele manier afhankelijk is van de goede werken van de mens. Een aantal groepen gaat zelfs zo ver dat zij zeggen dat indien iemand Jezus zou belijden voordat hij in een ongeluk sterft hij in het koninkrijk van God zalig zal worden, zelfs al had hij voorheen een goddeloos leven geleid. Niet alleen gaat dit idee dwars tegen het merendeel van de leringen van Paulus in (een aantal vindt u in de brief aan de Romeinen zelf, bijvoorbeeld 2:5-15, 6:13, 6:16 en de hoofdstukken 12 tot en met 14), maar het is ook een volkomen verkeerde uitleg.

Het gedeelte in kwestie staat in de passage waarin Paulus spreekt over Israëls verwerping van het evangelie. Hij begint met erop te wijzen dat hoewel de Joden ijverig voor God waren (dat wil zeggen ernaar verlangend waren gehoorzaam te zijn aan zijn geboden) zij een belangrijk punt van het evangelie misten door zich alleen op hun eigen rechtvaardigheid te verlaten. Paulus citeert dan nogal vrij, uit het Oude Testament om aan te tonen dat geen mens zou kunnen doen wat Christus deed die uit de hemel neerdaalde en uit de dood opsteeg, hoe hard ze ook hun best zouden doen. Wat de mensen moeten doen om in aanmerking te komen voor de zegeningen van Christus is hun Heer openlijk voor de wereld belijden. Dat kunnen ze alleen doen met een hart dat in gerechtigheid gelooft.

Het hart (in het Grieks kardia) werd beschouwd als de zetel van het innerlijk van de mens. “Met het hart geloven” houdt dus veel meer in dan verstandelijk er mee instemmen. Het betekend bekering, zich er aan overgeven, uit het gedrag laten blijken dat men zich eraan overgeeft en een innerlijke verandering. Het is duidelijk dat indien iemand dingen waarlijk geloofd, hij dienovereenkomstig zal leven want alleen met de mond belijden is niet genoeg.

De leer van bekering is al zo oud als het evangelie zelf. In de Bijbel, beginnend in de boeken Genesis (Zie Bijbelvertaling van Joseph Smith Genesis 4:8) tot en met Openbaring (Zie openbaring 2:16) wordt over bekering gesproken. Jezus Christus heeft tijdens zijn aardse zending de volgende waarschuwingen gegeven: ‘Het koninkrijk Gods is nabij gekomen. Bekeert u en gelooft het evangelie. (Marcus 1:15; zie ook Matteüs 4:17.) En: ‘Als gij u niet bekeert, zult gij allen evenzo omkomen.’ (Lucas 13:3.)

Het woord bekeren om de leer van bekering te verkondigen komt in zijn verschillende vormen vele keren in de Bijbel voor, en 68 keer in de Bijbelvertaling van Joseph Smith. In het Boek van Mormon komt het woord bekeren in zijn verschillende vormen 360 keer voor.

De Heer gaf de mensen in het oude Amerika dit gebod: ‘En wederom zeg Ik u, gij moet u bekeren, en u laten dopen in mijn naam, en worden als een klein kind, anders kunt gij het koninkrijk Gods geenszins beërven.’ (3 Nephi 11:38. Een ander voorbeeld is: ‘Ik heb u de wet en de geboden van mijn Vader gegeven, namelijk dat gij in Mij zult geloven en u bekeren van uw zonden en tot Mij komen met een gebroken hart en een verslagen geest.’ (3 Nephi 12:19.)

Met de herstelling van het evangelie heeft onze Heiland opnieuw nadruk op deze leer gelegd. Het woord bekeren komt in de een of andere vorm in 47 van de 138 afdelingen van de Leer en Verbonden voor! En dit is mijn getuigenis in naam van Jezus Christus. Amen.